| De
H. Antonius van Padua werd in 1195 geboren als Portugees in
Lissabon. Bij de doop ontving hij de naam Ferdinand, maar die
veranderde hij in Antonius toen hij intrad bij de Franciscanen.
Zijn ouders vertrouwden zijn opvoeding toe aan de kathedraal van
Lissabon, omdat hij graag priester wilde worden, maar reeds op
zijn 15e jaar trad hij in bij de augustijner koorheren, die een
klooster in de stad hadden. Twee jaar later vroeg hij verlof om
naar het klooster Combra te gaan- toenmaals de hoofdstad van
Portugal- omdat hij last begon te krijgen van de veelvuldige
bezoeken van zijn vele vrienden. Daar wijdde hij zich aan het
gebed en de studie en verdiepte zijn bijbelkennis. Hij verbleef al
acht jaar in het klooster van Coimbra, toen don Pedro van Portugal
in 1220 de relieken van franciscaanse broeders uit Marokko
meebracht, die kort daarvoor waren vermoord. Dit gebeuren greep
Ferdinand heel erg aan, en hij werd vervuld van een vurig
verlangen om zijn leven voor Christus te geven, iets waar hij als
koorheer nauwelijks toe in staat was. Toen enkele franciscanen op
retraite kwamen naar zijn klooster, opende hij hun zijn hart, en
zij deden een goed woord voor hem bij de provinciaal. In 1221 werd
hij opgenomen in de Orde van Franciscus. |
 |
Kort
daarna kreeg hij verlof om naar Marokko te zeilen om er het
evangelie te prediken. Maar hij werd meteen zo ziek, dat hij wel
gedwongen was naar Europa terug te keren. Het zeilschip waarop hij
reisde werd door een zware storm uit de koers gebracht en zo
landde hij in Messina. Toen hij van de franciscaner-broeders daar
hoorde dat er een Generaal Kapittel op handen was in Assisi, ging
hij daarheen op weg. Het gaat hier om de laatste grote bijeenkomst
in 1221, waarbij alle leden van de orde welkom waren. Na afloop
van het kapittel vertrokken de broeders naar de kloosters voor
welke zij benoemd waren. Antonius kwam terecht in het eenzame
eremieten-klooster San Paolo in de buurt van Forli. |
Toen kort daarna
zowel nieuwe dominicanen als franciscanen priester gewijd zouden worden,
verzamelden alle kandidaten zich in het franciscaner klooster te Forli.
Na de wijding verzocht de gastheer een van de gasten om de toepasselijke
preek te houden. Vanwege een misverstand had geen van de dominicanen
zich voorbereid. Niemand van de franciscanen meende zich bekwaam genoeg
om aan het verzoek van de provinciaal te voldoen. Toen werd Antonius
gevraagd te spreken, zoals de Geest hem zou ingeven. Eerst was hij wat
verlegen en van streek, maar toen hij eenmaal op gang kwam, preekte hij
zo welsprekend, zo geleerd en zo ingetogen, dat de toehoorders buiten
zichzelf waren. Toen de provinciaal bemerkte hoe begaafd Antonius was,
riep hij hem meteen terug uit het eremieten-klooster en zond hem uit om
te gaan preken in verschillende gebieden van Romagna, waaronder heel
Lombardije viel.
Behalve de
predikatie, kreeg hij ook de opdracht om zijn medebroeders theologie bij
te brengen, en dat wel als eerste van de franciscanen. Maar het werd
steeds duidelijker dat preken zijn eigenlijke roeping was. Daar had hij
ook alles voor in huis: geleerdheid, welsprekendheid,
overredingsvermogen, een diepe liefde voor het geestelijk leven en een
heldere stem die over grote afstand te verstaan was. Ofschoon hij klein
van stuk was en ondanks zijn ascetisch leven aanleg had voor gezetheid,
had hij toch een bijna magische persoonlijkheid. Waar hij ook maar
verscheen, dromden de mensen samen om naar hem te luisteren. Mensen van
allerlei slag kwamen op hem af, en hij slaagde er in om zelfs verstokte
boosdoeners en gewetenloze genieters als ook afvalligen terug te brengen
tot een oprecht geloof en eerlijk berouw.
Zijn werkgebied
strekte zich uit over heel Noord-Italië en zelfs het zuidelijk deel van
Frankrijk. In beide gebieden had de dwaalleer van de Katharen zich
verspreid en Antonius' welbespraaktheid en theologisch inzicht waren van
groot nut. Men zegt dat hij van 1224-1226 in Frankrijk gewerkt heeft.
Kort na de dood van Franciscus werd hij naar Italië teruggeroepen en
werd provinciaal van Emilia of Romagna. In 1226 ging hij in een
delegatie mee naar de paus, en hij gebruikte de gelegenheid om hem te
vragen van al zijn andere werk bevrijd te worden, zodat hij zich
helemaal aan de prediking kon wijden.
Pas in 1229 kwam
hij naar zijn lievelingsstad Padua, van waaruit hij op preekreizen ging.
Zijn gezondheid was al langere tijd zorgwekkend, maar in 1231, na een
lange prediktour, waren zijn krachten helemaal op. Hij trok zich met
twee medebroeders terug in een hutje bij Camposampiero. Al snel lag hij
op sterven. Hij wilde graag terug naar Padua. Maar zover kwam hij niet
eens. Op 13 juni stierf hij in de kamer van de rector van de arme
Clarissen te Arcella, vlak buiten de stad. De rector gaf hem de laatste
sacramenten op zijn sterfbed. Toen hij stierf was Antonius 36 jaar, en
was hij 21 jaar kloosterling geweest, waarvan elf jaar franciscaan. Nog
voordat een jaar voorbij gegaan was, werd hij op 30 mei 1232 heilig
verklaard te Spoleto.
Men
zegt wel eens dat een geliefd kind vele namen heeft en zo kan men ook
zeggen dat een geliefde heilige vele legenden heeft. Antonius was
tijdens zijn leven erg geliefd en er bestaan ontelbaar vele legenden
over hem. Hij is bekend geworden als de heilige die meezoekt naar
verloren zaken. Die faam stamt af van een legende van zijn verblijf te
Montpellier. Daar hield Antonius een voordracht over de psalmen voor
zijn medebroeders. Hij had een Psalterium, dat hij had voorzien van
commentaren en aantekeningen. De handgeschreven teksten uit de
Middeleeuwen waren natuurlijk altijd kostbaar. De prijs ervoor was
evenveel als voor een middelgrote boerderij. En de commentaren maakten
het boek nog kostbaarder. Op zekere dag bleek het boek gestolen te zijn
door een novice die terug wilde naar de wereld, en die het boek wilde
verkopen om zichzelf te onderhouden. Zo'n verlies was niet goed te maken
en Antonius met zijn medebroeders begon een gebedsoffensief om het boek
en de jonge man terug te krijgen. De volgende dag stond deze voor de
deur, gaf het boek terug aan Antonius en bad onder tranen of hij toch
franciscaan mocht worden. Hij vertelde dat hij onderweg bij een rivier
was gekomen, die zo gezwollen was dat hij over de oevers heen stroomde.
Hij had dus geen doorwaadbare plaats en er was geen brug in de buurt.
Toen was de duivel hem verschenen en had hem aangeboden hem over te
zetten, als hij hem het boek wilde geven. Eerst wilde hij hierop ingaan,
maar ineens begreep hij de waarde van het boek, maakte een kruisteken en
maakte dat hij weg kwam.

|
Jaartal
|
Gebeurtenis
|
|
1195
|
Geboorte
van Fernando te Lissabon
|
|
1201-1210
|
Bezoekt
de Domschool
|
|
1210
|
Treedt
in bij de Augustijnen-koorheren te Lissabon
|
|
1212
|
Verhuist
naar het klooster van het Heilige Kruis te Coimbra
|
|
1220
|
Waarschijnlijk
in dit jaar tot priester gewijd. Wordt op het einde van de zomer
minderbroeder en vetrekt als missionaris naar Marokko.
|
|
1221
|
Landt
in Sicilië. Neemt deel aan het generaal kapittel te Assisi en
krijgt de kluizenarij van Monte Paolo als verblijf.
|
|
1222
|
Priesterwijding
te Forli. Hij wordt aangesteld tot predikant.
|
|
1223
|
Preekt
in de Romagna en in Rimini.
|
|
1223-1224
|
Onderwijst
Theologie te Bologna.
|
|
1224-1227
|
Apostolaat
in Frankrijk: Montpellier, Toulouse en Linoges.
|
|
1227
|
Benoemd
tot provinciaal in Noord-Italië.
|
|
1228
|
Oponthoud
in Milaan en Vercelli.
|
|
1229
|
Voltooit
zijn Zondagspreken in Padua.
|
|
1229-1231
|
Geeft
onderricht in de Theologie te Padua.
|
|
1230
|
Treedt
af als provinciaal. Bezoekt Paus Gregorius IX ter verklaring van
de regel. Schrijft zijn preken voor feestdagen. Terugkeer naar
Padua.
|
|
1231
|
Preekt
de vasten in Padua.Vergeefse verzoeningspoging bij Ezzelino in
Verona. Gestorven te Arcella op 13 juni
|
|
1232
|
Op
30 mei heilig verklaard te Spoleto
|
|
1263
|
Plechtige
overbrenging van het gebeent van de heilige.
|
|
1946
|
Verheven
tot kerkleraar met de titel: Leraar van Het Evangelie.
|
|